IVBN: niet te vroeg juichen over vrijwaring van verhuurdersheffing

IVBN: niet te vroeg juichen over vrijwaring van verhuurdersheffing

IVBN: niet te vroeg juichen over vrijwaring van verhuurdersheffing

Particuliere vastgoedbeleggers zijn opgelucht dat de in hert regeerakkoord aangekondigde verhuurdersbelasting alleen geldt voor eigenaren van sociale huurwoningen. Maar volgens de institutionele vastgoedbeleggers, verenigd in IVBN, moeten marktpartijen niet te vroeg juichen.
De dreiging van een verhuurderheffing op ook vrije sectorhuurwoningen boven de € 665 is nog niet weg. De verhuurderheffing moet nog door de Tweede en Eerste Kamer. De behandeling van het eerdere belastingplan was namelijk aangehouden vanwege het regeerakkoord. Wel worden institutionele en private beleggers met woningen met een huur onder de € 665 getroffen door deze verhuurdersbelasting.

Uitwerking van regeling
De hoogte van de verhuurdersheffing wordt vastgesteld op basis van de WOZ-waarde en die is bij particuliere investeerders voor woningen onder de € 665 hoger dan bij de woningcorporaties. Dus dat betekent voor pensioenfondsen en andere investeerders een zeer forse aanslag op het rendement. Alleen private huurders met minder dan tien huurwoningen lijken uitgezonderd te blijven. De huurdersbelasting is bovendien slecht voor de nieuwbouw, volgens de IVBN. Het is voor investeringen in bestaande huurwoningen in voornamelijk het sociale segment een enorme aderlating.

Huurbepaling
Dat de maximale huur niet langer wordt bepaald door het puntensysteem maar wordt vastgelegd op 4,5% van de WOZ-waarde van de woning, vinden IVBN en Vastgoed Belang een vooruitgang. In schaarstegebieden met hoge WOZ-waarden betekent dat een verbetering. Maar in veel gebieden is de WOZ-waarde veel lager. Met die 4,5% zijn de investeerders slechter af dan met het huidige puntensysteem, aldus Vastgoed Belang. IVBN is dezelfde mening toegedaan. Bij het nieuwe kabinet zullen deze organisaties dan ook aandringen op een regionale differentiatie van het percentage van 4,5 %.
IVBN is niettemin blij met ‘meer marktconformiteit in huren’. ‘Het is een prima maatregel van het nieuwe kabinet, omdat marktpartijen daarmee zekerheid krijgen om in de huurwoningenmarkt te investeren. Door een aantal jaren vol te houden met boven-inflatoire huurverhogingen wordt het scheefwonen volgens hen stevig aangepakt. Tegelijk blijft de ingreep in de hypotheekrenteaftrek beheerst, aldus de IVBN. Vastgoed Belang noemt de extra huurverhoging van 6,5% bovenop inflatie boven een bruto-inkomen van € 43.000 een stap in de goede richting. Zij gaan er vanuit dat de verhoging per 1 juli 2013 ingaat.

Regeerakkoord maakt einde aan woningwaarderingsstelsel

Regeerakkoord maakt einde aan woningwaarderingsstelsel

Het systeem voor woningwaardering wordt sterk vereenvoudigd met als grondslag 4,5 procent van de waarde op basis van de wet waardering onroerende zaken. Daarmee komt een einde aan het ingewikkelde puntensysteem. Voor huurders met een inkomen boven € 43.000 wordt de maximale huurprijs op basis van het woningwaarderingssysteem tijdelijk buiten werking gesteld. Na vertrek van de zittende bewoners geldt de maximale huurprijs weer.

De huurtoeslag blijft intact om woningen voor lagere inkomens betaalbaar te houden. Dat maakt een gedifferentieerde huurverhoging mogelijk. Voor huurders met een huishoudinkomen tot € 33.000 is dat 1,5 procent plus inflatie. Bij mensen met een inkomen tussen de € 33.000 en € 43.000 gaat het om 2,5 procent bovenop de inflatie. Boven de € 43.000 is de huurverhoging 6,5 procent plus inflatie. Verhuurders mogen hierbij werken met een huursombenadering. De systematiek met een huurliberalisatiegrens blijft intact.

Tienduizenden extra studentenkamers nodig

Tienduizenden extra studentenkamers nodig

Als gevolg van de groei van het aantal studenten met 85.000 in 2020, stijgt de vraag naar kamers in studentensteden met 33.000. De helft van de gezochte woonruimtes moet bestaan uit kamers met eigen douche, toilet en eventueel een keuken. Dat blijkt uit de eerste landelijke monitor studentenhuisvesting. Het grootst is de behoefte in Amsterdam (8.000 kamers), Groningen (4.000), Rotterdam (2.700) en Utrecht (2.500).

Monitor studentenhuisvestingDe jaarlijks terugkerende monitor is een initiatief van Kences, de brancheorganisatie voor studentenhuisvesting en wordt mede mogelijk gemaakt door het ministerie
van BZK. De monitor is onderdeel van het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting, dat in 2011 ondertekend is. De monitor biedt ook lokale rapportages over 29 studentensteden. De rapportages bieden inzicht in studentenaantallen en woonwensen per stad. Vanaf 1 november zijn de lokale rapporten gratis te downloaden op www.wonenalsstudent.nl

Onderzoek KencesOm goed inzicht te krijgen in de huidige woonsituatie en de woonwensen van studenten, deed Kences onderzoek onder ruim 35.000 studenten. Daaruit blijkt dat bijna tweederde van alle uitwonende studenten op kamers woont met gedeelde voorzieningen (toilet, keuken, douche) voor rond de 300 euro per maand. Zo’n 15 procent woont op kamers met eigen douche, toilet en soms ook een keuken. Zij betalen meer dan 300 euro. De resterende 20 procent woont zelfstandig in een ‘gewone woning’ en betaalt in de meeste gevallen meer dan 400 euro per maand. 

Hoe willen studenten wonen? Studenten geven nadrukkelijk aan meer behoefte te hebben aan woonruimte met eigen voorzieningen (douche, toilet en eventueel keuken). Ook is er een redelijk grote groep studenten die graag een volledig zelfstandige woning wil huren. In de huidige marktomstandigheden zijn de kleine kamers zonder eigen voorzieningen populair onder studenten, vanwege de prijs en de beschikbaarheid. Maar men woont liever meer ‘op zichzelf’. Uiteraard verschilt het beeld per stad. 

Vereenvoudiging verhuur leegstaande kantoren en huizen stap dichterbij

Vereenvoudiging verhuur leegstaande kantoren en huizen stap dichterbij

Eigenaren van te koop staande huizen en van leegstaande panden zonder woonbestemming kunnen hun panden in de toekomst makkelijker verhuren. De wijziging van de Leegstandwet, die minister Spies (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) naar de Tweede Kamer heeft gestuurd, maakt dit mogelijk.

In de nieuwe leegstandswet wijzigen de regels voor tijdelijke verhuur bij het gebruik van kantoorpanden als huurwoningen. De maximale termijn voor tijdelijke verhuur van woonruimte in leegstaande gebouwen die geen woonbestemming hebben, verdubbelt naar tien jaar. In afwachting van een definitieve bestemming van het gebouw, wordt het voor investeerders meer lonend om bijvoorbeeld kantoorgebouwen tijdelijk te laten bewonen.

De maximale periode voor tijdelijke verhuur van huurwoningen die bestemd zijn voor sloop of renovatie wordt verlengd naar maximaal zeven jaar. Nu is dat nog vijf jaar. Daarmee wil het kabinet onnodige leegstand voorkomen wanneer projecten door de economische crisis vertraging oplopen.

De wet maakt het voor huiseigenaren gemakkelijker om een te koop staande woning tijdelijk te verhuren. Niet langer geldt hiervoor een maximumhuurprijs op basis van het Woningwaarderingsstelsel (puntenstelsel). Daarmee vervalt de verplichting voor gemeenten om voor de te verhuren woning een maximale huurprijs vast te stellen. Ook wordt in de wet opgenomen dat gemeenten bij het verlenen van de vergunning geen extra voorwaarden morgen stellen.

Bij verhuur op basis van de Leegstandwet geldt niet de gebruikelijke huurbescherming. Wanneer het huurcontract eindigt, moet de huurder de woning verlaten. De huiseigenaar en de bank hebben zo bijvoorbeeld de garantie dat de woning bij verkoop leeg kan worden opgeleverd. De gemeente geeft de vergunning voor maximaal twee jaar met de mogelijkheid van telkens een verlenging van maximaal een jaar tot de maximale duur is bereikt. Anders dan nu het geval is, wordt het na wijziging van de Leegstandwet onder voorwaarden mogelijk hetzelfde pand meerdere keren tijdelijk te verhuren.

Wetsvoorstel verhuurdersheffing

Wetsvoorstel verhuurdersheffing

Op 18 september 2012 is het wetvoorstel “Wet verhuurderheffing”, als onderdeel van het Belastingplan 2013, naar de Tweede Kamer gestuurd. In dit wetsvoorstel wordt een nieuwe heffing voorgesteld voor verhuurders van huurwoningen, waarvan de huur lager is dan de huurtoeslaggrens (in 2012: € 664,66 per maand). Verhuurders die maximaal 10 woningen
verhuren vallen buiten deze regeling. De beoogde opbrengst van deze heffing is € 800 miljoen per jaar (voor het jaar 2013: € 5 miljoen). De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2013.

Achtergrond

Het primaire doel van deze heffing is om inkomsten te genereren. De verhuurderheffing is tevens één van de
maatregelen die wordt genomen om de woningmarkt beter te laten functioneren via een – volgens de wetgever –
evenwichtig pakket maatregelen voor zowel het koop- als het huursegment. Verder kan deze heffing in
samenhang worden gezien met de huurverhoging die mogelijk wordt gemaakt om zogeheten ‘scheefwonen’
tegen te gaan. In zoverre roomt deze nieuwe heffing de meeropbrengst van een dergelijke huurverhoging af.
De verhuurderheffing was reeds aangekondigd in het Lenteakkoord van 25 mei 2012 en wordt nu nader
uitgewerkt.

Het kabinet acht het passend om verhuurders door middels van deze heffing te laten bijdragen aan de uitgaven
van het Rijk. De reden die zij daarvoor geeft is dat de overheid in het verleden een beleid heeft gevoerd,
waardoor een marktsegment voor betaalbare huurwoningen is ontstaan die een hoge mate van stabiliteit en
gewaarborgde inkomsten voor de verhuurders kent.

Inhoud van de regeling

Verhuurders van woningen moeten in 2013 een heffing van 0,0014% betalen over de WOZ-waarde van deze
(in Nederland gelegen) woningen. De heffing vindt plaats bij de juridisch eigenaar. Het voornoemde
percentage wordt met ingang van 2014 verhoogd tot 0,231%. Dit komt neer op een gemiddelde heffing per
woning van € 2 in 2013 en € 356 in 2014. Woningen met een huur boven de huurtoeslaggrens (in 2012:
€ 664,66 per maand), zogenoemde vrije sector woningen, vallen buiten de heffing. Kleine verhuurders, die
maximaal 10 gereguleerde woningen verhuren, vallen buiten de regeling. De situatie op 1 januari van een
kalenderjaar is bepalend.

Voorbeeld

Een verhuurder is op 1 januari 2014 in bezit van 4.367 woningen, waarvan er 167 in de vrije sector worden
verhuurd (met een huur boven de dan geldende huurtoeslaggrens). Deze verhuurder wordt in de heffing
betrokken voor 4200 huurwoningen. De heffing bedraagt dan 0,231% van: de gezamenlijke WOZ-waarde van
de 4200 gereguleerde-huurwoningen, verminderd met de vrijstelling van 10 x de gemiddelde WOZ-waarde
van het gereguleerde-huurwoningbezit van de verhuurder. Stel dat de gezamenlijke WOZ-waarde van de 4200
woningen € 659,4 miljoen bedraagt. De verschuldigde heffing bedraagt dan 0,231% van (€ 659,4 miljoen –
(10 x € 659,4 miljoen / 4200) = € 1.519.587.

De verhuurderheffing is verschuldigd op 1 januari van een kalenderjaar en moet via elektronische weg,
binnen drie maanden na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, op aangifte worden voldaan.
Deze uiterlijke termijn geldt eveneens voor de betaling van de verschuldigde heffing. Voor het jaar 2013
is de aangifte- en betalingstermijn opgerekt tot 9 maanden. De verhuurderheffing is aftrekbaar voor
vennootschapsbelastingdoeleinden.

Betekenis voor de praktijk

Met ingang van 1 januari 2013 kan uw organisatie, voor elke gereguleerde huurwoning waarvan uw
organisatie juridisch eigenaar is, geconfronteerd worden met de verhuurderheffing. De financiële impact
van deze heffing is afhankelijk van het aantal huurwoningen en de WOZ-waarde van deze huurwoningen.
Naast het feit dat deze maatregel kan leiden tot een verslechtering van de liquiditeitspositie, kan het ook een
administratieve lastenverzwaring met zich meebrengen.

Tekort aan studentenkamers stijgt naar 30.000

Dit zijn de opvallendste conclusies uit de Kamernoodinventarisatie 2012 van de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb). De LSVb is blij dat de ergste tekorten in de steden buiten de randstad, zoals in Maastricht, Wageningen en Nijmegen, zo goed als weggewerkt zijn. “Helaas blijft in Amsterdam en Utrecht het tekort met 9000 studentenkamers per stad onacceptabel hoog”, zegt LSVb-voorzitter Kai Heijneman. “Deze twee steden zijn samen verantwoordelijk voor bijna tweederde van de totale kamernood in Nederland.” Ook in Leiden (3650), Delft (3600) en Den Haag (3000) blijft er een groot tekort aan woonruimte voor studenten.

De huurprijs van een studentenkamer stijgt in een jaar tijd explosief bij enkele woningcorporaties. De prijs van kamers met gedeelde keuken en/of badkamer stijgt met 18 % in Groningen, in Den Haag met 12% en in Maastricht met 11%. “Ook voor studentenwoningen met een eigen voordeur  moet de student meer betalen”, aldus LSVb-voorzitter Kai Heijneman. De huurstijging van deze zelfstandige woonruimte stijgt het hardst in Groningen  (20%), Enschede (12%) en Amsterdam (8%).

Gemiddeld moet een student drie maanden wachten voordat hij of zij een onzelfstandige kamer vindt. Op een zelfstandige kamer moet je langer wachten: gemiddeld meer dan drie jaar. Heijneman: “Je ziet grote regionale verschillen, in Zwolle heb je zo een kamer, maar in Utrecht wacht je anderhalf jaar op een onzelfstandige kamer en maar liefst acht jaar op zelfstandige woonruimte”.

De Landelijke Studentenvakbond roept gemeenten en woningcorporaties op om nog net dat stapje extra te zetten. In het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting is met deze partijen afgesproken dat in 2015 ruim de helft van het tekort (16.000 kamers) moet zijn weggewerkt. Heijneman: “Uit deze inventarisatie onder gemeenten en corporaties blijkt dat er nog wat zeilen bijgezet moeten worden om een einde te maken aan de Kamernood.”

Eerder waren in Vastgoedjournaal al diverse berichten verschenen waarbij ontwikkelaars al dan niet samen met corporaties leegstaande kantoren herbestemmen voor studentenwoningen. Maar er moet meer gedaan worden, zo blijkt uit het LSVb-onderzoek.

Tijdelijke verhuur van woonruimte gemakkelijker

Tijdelijke verhuur van woonruimte gemakkelijker

Het wordt voor mensen die hun huis te koop hebben staan, makkelijker de woning tijdelijk te verhuren.
De ministerraad heeft ingestemd met het voorstel van minister Spies (BZK) om hiervoor de Leegstandwet te wijzigen.

Geen maximumhuurprijs

Voor verhuur van een huis dat te koop staat, geldt niet langer een maximumhuurprijs op basis van het woningwaarderingsstelsel.

Sloopwoningen en kantoren

Huurwoningen die bestemd zijn voor sloop of renovatie mogen straks maximaal 7 jaar verhuurd worden. Nu is dat nog 5 jaar. Leegstaande gebouwen zonder woonbestemming, bijvoorbeeld kantoorgebouwen, mogen 10 jaar worden verhuurd in plaats van 5 jaar. Dit voorkomt leegstand wanneer projecten door de economische crisis vertraging oplopen.

Minder huurbescherming

Bij verhuur op basis van de Leegstandwet geldt minder huurbescherming. Wanneer het huurcontract eindigt moet de huurder de woning verlaten. De gemeente geeft de vergunning voor 2 jaar met de mogelijkheid om telkens met 1 jaar te verlengen tot de maximale duur is bereikt. Een pand mag straks ook meerdere keren tijdelijk worden verhuurd.

Het wetsvoorstel wordt voor advies aan de Raad van State gestuurd. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.

Verkoop kantoorpand in gevaar door toedoen van krakers

Verkoop kantoorpand in gevaar door toedoen van krakers

In het huidige economische klimaat waarin de leegstand toeneemt, kan zich bij de
spaarzame transacties die er wel zijn, eenvoudig een vervelende complicatie voordoen.
Namelijk: krakers die een leeg (kantoor)pand betrekken en met een beroep op hun huisrecht
(artikel 8 EVRM) de beoogde transactie frustreren of in ieder geval stevig vertragen.

Op dit moment doet zich in de directe omgeving van Amsterdam een dergelijke casus voor
waarbij de verkoper op het punt staat om – en hier overigens ook toe verplicht is – over te
gaan tot levering van een pand, maar hieraan vanwege de krakers geen gehoor kan geven.
Het is dan de vraag welke handvatten een verkoper heeft om levering toch plaats te laten
vinden en de schade zo beperkt mogelijk te houden. Allereerst wordt kort aandacht besteed
aan de antikraakwet en het beleid van overheidswege op dat gebied, om vervolgens de
mogelijke acties te bespreken.

Met de invoering van de wet Kraken en Leegstand per 1 oktober 2010 (de antikraakwet, in
de volksmond) was het de bedoeling dat een einde zou komen aan het kraken van panden.
Door de invoering van deze wet is kraken immers in alle gevallen strafbaar gesteld als
misdrijf, daar waar vóór de invoering kraken alleen strafbaar was indien een pand korter dan
twaalf maanden leegstond. De weg was derhalve vrijgemaakt om over te gaan tot
ontruiming!

Echter, totdat het Hof Den Haag bij arrest van 8 november 2010 (ongeveer een maand later
dus!) de ontruimingen een halt toe heeft geroepen, omdat tot de conclusie werd gekomen
dat de wet een lacune bevat, aangezien deze er niet in voorziet dat de krakers zich
voorafgaand aan de ontruiming tot de (kort geding)rechter kunnen wenden, terwijl de
krakers uit hoofde van hun huisrecht aanspraak moeten kunnen maken op de bescherming
van artikel 8 EVRM.

Om deze lacune weg te nemen, is op 30 november 2010 door het College van procureursgeneraal                                  een beleidsbrief opgesteld, waarin kort gezegd is aangegeven dat het uitgangspunt
is dat het kraakverbod onverkort gehandhaafd wordt, maar dat de aankondiging dient te
vermelden dat de ontruiming plaats zal vinden binnen acht weken na deze aankondiging en
dat ontruiming niet binnen de eerste zeven dagen zal geschieden, zodat de krakers de
mogelijkheid hebben om binnen die termijn van zeven dagen een kort geding aanhangig te
maken. Uitzondering op deze regel is bijvoorbeeld een gevaarlijke situatie ter plaatse of
verstoring van de openbare orde en veiligheid. In die gevallen kan terstond door politie en
justitie tot ontruiming worden overgegaan.

Bij brief van 14 juni 2012 – zeer recent dus – heeft de burgemeester van Amsterdam het
kraakbeleid van de gemeente Amsterdam nader toegelicht en aangegeven dat er in beginsel
niet wordt ontruimd “voor leegstand” (dat wil zeggen dat er altijd een concreet alternatief
plan moet zijn), dat met betrekking tot gekraakte panden een onderscheid wordt gemaakt in
prioriteit en dat er sinds de invoering van de wet vijf reguliere ontruimingsrondes hebben
plaatsgevonden en 21 adressen met spoed zijn ontruimd.

Gelet op het aantal ontruimingsrondes sinds de invoering van de wet (5 rondes sinds 1
oktober 2010), lopen marktpartijen dus al snel het risico dat een kraakactie een vertraging
tot gevolg kan hebben van enkele maanden tot een half jaar. Hiernaast zijn marktpartijen
afhankelijk van de medewerking en het daadwerkelijk uitvoeren en naleven van het beleid
door politie en justitie.

Welke middelen kan een verkoper als in dit geval aangrijpen?
Van belang is dat de druk maximaal wordt opgevoerd. Dat kan door een civielrechtelijk
traject te starten. Verkoper kiest er dan voor om een kort geding aanhangig te maken tegen
de krakers en ontruiming bij de Voorzieningenrechter te vorderen. Een dergelijk vonnis kan
behulp van de sterke arm ten uitvoer worden gelegd.

Hiernaast staat het strafrechtelijk traject open. In dat geval dient het Openbaar Ministerie,
de Officier van Justitie, aangespoord te worden om over te gaan tot een ontruiming. De
officier zal – als hiervoor omschreven, en voor zover overtuigd van de noodzaak en het
belang om in te grijpen – een ontruimingsaankondiging versturen en de krakers een termijn
geven om zelf een kort geding aanhangig te maken en na het verstrijken van de betreffende
termijn of bij een vonnis van de Voorzieningenrechter dat daarvoor ruimte biedt, in beginsel
op korte termijn tot ontruiming overgaan.

Voor succes in één van die trajecten of beide zoals hiervoor beschreven (ze kunnen ook
parallel worden doorlopen), is het van belang duidelijk in kaart te brengen wat de feitelijke
situatie is, of en in hoeverre sprake is van een spoedeisendheid karakter en waarom dus met
spoed kan zou moeten worden opgetreden. Een concreet (toekomst)plan voor het
betreffende pand of perceel is onontbeerlijk, evenals het bewijzen van het bestaan van dat
plan. Dit kan zijn verkoop, verhuur, maar ook renovatie of sloop. Hiernaast dient te kunnen
worden aangetoond wat het spoedeisend karakter is, bijvoorbeeld de verplichting om op
korte termijn te leveren en dat indien niet aan die verplichting kan worden voldaan een
koper een beroep op ontbinding toe kan komen. Tevens zou gedacht kunnen worden aan
opdrachten met betrekking tot het pand die reeds verstrekt zijn en uitgevoerd moeten
worden, zoals de hiervoor aangehaalde sloop, maar bijvoorbeeld ook het vervangen van het
voegwerk of revitalisatie met het oog op vernieuwde huur.

Overigens zou de gemeente buitengewoon behulpzaam kunnen zijn. Vaak vindt zij kraken
onwenselijk binnen haar gemeente met het oog op het verstoren van de openbare orde en
veiligheid. Goed en constructief overleg met de betrokken afdelingen kan zeer bevorderlijk
werken in het zogenaamde driehoeksoverleg (officier, commissaris en burgemeester). En
verder heeft de gemeente natuurlijk altijd nog een publiekrechterlijk instrumentarium om
handhavend op te treden.

Kortom; ondanks de nieuwe antikraakwet, is het kraken de wereld nog niet uit. Het is van
groot belang snel, slagvaardig en vooral strategisch op te treden en beargumenteerd steun
te zoeken bij de autoriteiten. Dat kan nog wel eens een kostbare weg naar de kort geding
rechter voorkomen en bij een goed doortimmerd verhaal, is er altijd nog de President die op
grond van de nieuwe kraakwet een knoop door kan hakken.

Extra inkomensafhankelijke huurverhoging: update

Extra inkomensafhankelijke huurverhoging: update

Extra huurverhoging van maximaal 5%

Op 19 juni 2012 bleek dat de Eerste Kamer zeer kritisch was over het wetsvoorstel dat tot
een extra huurverhoging van maximaal 5% boven de inflatie voor huishoudens met een
inkomen van meer dan €43.000 moet leiden. Wat gebeurt er als het inkomen van een
huurder plotseling daalt en is de privacy van de huurder wel gewaarborgd, zo vroeg de
Eerste Kamer zich af. De Minister komt nog met een reactie. De behandeling van het
wetsvoorstel is aangehouden.

Extra huurverhoging van maximaal 1%

In het Lente-akkoord is de afspraak gemaakt dat huurders van sociale huurwoningen met
een inkomen tussen €33.000 en €43.000 ook te maken krijgen met een extra huurverhoging
en wel van 1% boven de inflatie.
Het demissionaire kabinet heeft hiervoor inmiddels een wetsvoorstel aangenomen, maar dat
moet nog voor advies naar de Raad van State. Vervolgens moet het door de Tweede en
Eerste Kamer aangenomen worden.

1 juli 2013?

Het is de bedoeling dat beide maatregelen per 1 juli 2013 ingaan. De Eerste Kamer moet
nog oordelen over de 5%-regeling, terwijl de komende verkiezingen nog roet in het eten
kunnen gooien voor het 1%-maatregel. De vraag is dus of de extra huurverhogingen er wel
zullen komen.

Huurverhoging op lange baan geschoven

Huurverhoging op lange baan geschoven

Den Haag – De Eerste Kamer is tegen het snel doorvoeren van de inkomensafhankelijke huurverhoging. Bouwend Nederland, Aedes en demissionair minister Spies (wonen) pleitten juist voor een snelle invoering. Zij vrezen dalende investeringen in nieuwbouw.

Spies had de huurverhoging van 5 procent voor huishoudens met een inkomen vanaf 43.000 euro eigenlijk per 1 juli dit jaar willen doorvoeren. De Senaat stak daar dinsdag echter een stokje voor. Een meerderheid van PvdA, PVV, SP, GroenLinks, de Onafhankelijke Senaatsfractie (OSF) en 50Plus wil dat de minister eerst de wijzigingen uit het Lente-akkoord doorvoert. De minister besloot daarom het wetsvoorstel aan te houden.